|
Er
was eens een kleermaker die drie zoons had en een geit. Om
de beurt brachten de zonen de geit 's morgens naar een
sappige wei en haalden ze haar 's avonds weer op. Maar telkens
als de vader 's avonds aan de geit vroeg of ze lekker had
gegeten, zei de geit: "Ik heb niets gekregen." "Jullie
liegen dat de geit heeft gegeten," zei de vader tegen
zijn zoons. En hij joeg ze alle drie het huis uit.
Nu
was de kleermaker alleen met zijn geit. Hij bracht haar naar
de sappigste wei die hij wist en liet haar daar grazen. Maar
toen hij 's avonds aan de geit vroeg of ze lekker had gegeten,
zei de geit: "Ik heb niets gekregen." Nu begreep
de kleermaker dat zijn zoons onschuldig waren. Hij joeg ook
de geit weg en bleef alleen achter met veel spijt. Zijn oudste
zoon was inmiddels in de leer bij een meubelmaker. Toen zijn
leertijd voorbij was, gaf zijn baas hem een heel bijzonder
tafeltje. Het zag er gewoon uit, maar als je zei: "Tafeltje
dek je", was het tafeltje meteen gedekt en stond er heerlijk
eten en drinken op.
Onderweg
naar huis kwam de oudste zoon bij een herberg. Er waren al
veel gasten. De herbergier zei dat het eten bijna op was."Dat
geeft niet," zei de oudste zoon. "Ik nodig jullie
allemaal aan tafel." Eerst lachten ze hem uit, maar toen
ze zagen wat het tafeltje kon, waren ze diep onder de indruk.Ze
bleven eten en drinken tot het tijd werd om te gaan slapen.
Terwijl de oudste zoon sliep, nam de herbergier het tafeltje
weg en verving het door een gewoon tafeltje. De volgende morgen
ging de oudste zoon naar huis. "Nodig iedereen uit,"
zei hij," en ik tover een maaltijd tevoorschijn."
Toen iedereen klaarzat, riep de jongen: "Tafeltje dek
je!", maar er gebeurde niets. Iedereen lachte hem uit.
Weer leek hij op een leugenaar.
De
tweede zoon ging in de leer bij een molenaar. Toen zijn leertijd
om was, gaf de molenaar hem een ezel. "Dit is een bijzondere
ezel," zei de molenaar." Als je zegt: 'Ezeltje strek
je', komen er van voren en van achteren goudstukken uit."
Onderweg naar huis kwam de tweede zoon bij dezelfde herberg
waar ook de oudste zoon had overnacht. Hij at en dronk voor
veel geld, en omdat zijn goudstukken op waren, ging hij naar
de stal, waar zijn ezel stond. De herbergier volgde hem ongemerkt
en zag door een kier dat de ezel goud gaf.
Die
nacht, toen de tweede zoon sliep, verruilde de herbergier
de ezel voor een gewone ezel. En met die gewone ezel kwam
de tweede zoon thuis. Let op, "zei hij," komt dat
zien. Deze ezel maakt mij rijk." Iedereen kwam en keek
naar de ezel. "Ezeltje strek je!" riep de
jongen, maar er gebeurde niets. Iedereen lachte hem uit. Weer
leek ook hij op een leugenaar.
De
derde zoon was bij een houtdraaier in de leer gegaan. Het
duurde wat langer eer hij het belangrijkste had geleerd.
Zijn broers stuurden hem een brief waarin stond wat er gebeurd
was in de herberg. Toen zijn leertijd om was, kreeg hij van
zijn baas een zak met een knuppel erin. "Die zak
is mooi," zei de jongen, "maar die knuppel weegt
zoveel." "Het is een bijzondere knuppel," zei
de houtdraaier, "als je zegt: 'Knuppel uit de zak', dan
springt hij uit de zak en slaat erop. Zeg je: 'Knuppel in
de zak', dan komt hij terug.
De
derde zoon bedankte zijn baas en ging op weg naar huis. Hij
kwam bij de herberg waar zijn broers waren bedrogen. Daar
praatte hij luid over de bijzondere schat die hij bij zich
had. Dat hoorde de herbergier en die werd weer heel hebberig.
Midden
in de nacht, toen hij dacht dat de derde zoon sliep, sloop
hij diens kamer binnen. Maar net toen hij de onbekende schat
wilde pakken, riep de derde zoon: "Knuppel uit de zak!"
En de knuppel sprong uit de zak en sloeg op de rug van de
herbergier. "Genade, help, genade!" riep de herbergier.
"Hij houdt pas op als je het tafeltje en de goudezel
teruggeeft," zei de derde zoon. "Jaja! Ik geef ze
terug!" kermde de herbergier. "Knuppel in de zak,"
zei de jongen. De volgende dag ging de derde zoon naar huis,
met het bijzondere tafeltje, de goudezel en de knuppel. En
toen pas zag iedereen dat het waar was wat de zonen hadden
verteld over Tafeltje dekje, Ezeltje strek je, Knuppel uit
de zak.
En
ze aten en dronken en waren nooit meer arm
|