|
Er
was eens, lang geleden, een meisje dat Karen heette. Ze had
geen vader en geen moeder, geen huis en geen eten. Op een
koude winteravond zwierf ze over straat. Toen stopte er naast
haar een koets met een oude dame erin. "Wat doe jij zo
laat op straat?" vroeg de oude dame. "Ik heb geen
vader en geen moeder en geen huis en geen eten," zei
Karen. Dat waren zoveel nare dingen tegelijk, dat de oude
dame zei: " Stap maar in." Zo kwam Karen bij de
oude dame te wonen. Ze kreeg goede kleren en lekker eten.
Ze ging er steeds mooier uitzien en werd steeds trotser op
zichzelf. Op een dag zei de oude dame:" Je hebt nieuwe
schoenen nodig voor naar de kerk. Ga ze maar kopen bij de
schoenmaker."
Bij
de schoenmaker zag Karen prachtige rode dansschoentjes staan
en die pasten haar ook nog. Ze vond zichzelf nog mooier met
die rode schoentjes aan. Maar toen de oude dame de schoentjes
zag, zei ze:" Kind, dat zijn dansschoentjes. Die doe
je niet aan naar de kerk. Doe dan maar weer je oude schoenen
aan." De volgende ochtend liep Karen naar de kerk. Ze
had haar nieuwe rode schoentjes aangetrokken, want die vond
ze nu eenmaal het mooist. Op de stoep van de kerk zat een
soldaat in een glimmend uniform. Hij zei dat Karen eigenwijs
en ijdel was. Dansschoentjes waren om te dansen en niet om
mee naar de kerk te gaan. In die tijd danste er niemand in
de kerk. De oude dame was boos op haar. "Je hebt niet
gedaan wat je moest doen," zei ze. Voor straf mocht Karen
niet naar het dansfeest in het dorp.
Een
paar dagen voor het feest werd de oude dame ziek. De dokter
zei tegen Karen dat ze de oude dame telkens op tijd een drankje
en een pilletje moest geven. Toen de avond van het feest aanbrak,
zat Karen bedroefd thuis. Ze dacht aan alle anderen die nu
op het marktplein konden dansen. Als zij erbij was, zou ze
vast de allermooiste zijn van iedereen. De oude dame moest
pas over drie uur weer een drankje en een pilletje. In de
tussentijd kon ze wel even stiekem naar het feest gaan. Ze
trok haar rode schoentjes aan en sloop het huis uit. Op het
marktplein dansten de mensen en Karen danste mee.
Maar
toen de anderen even stopten om uit te rusten, toen kòn Karen
niet meer stoppen. De schoentjes dwongen haar om door te dansen,
de donkere nacht in, het dorp uit, dwars door weilanden en
struiken, tot het ochtend werd. Karen was zo moe, zo moe,
ze wilde stoppen, maar het kon niet. Haar schoentjes brachten
haar weer dansend terug naar het dorp. Het feest was allang
voorbij, en iedereen was weer thuis. Alleen de soldaat zat
nog voor de kerk in zijn mooie uniform. "Ik moet naar
de oude dame," kermde Karen,"ze is ziek!" "Kijk
es aan," zei de soldaat," je denkt eens aan iemand
anders dan jijzelf." En hij tikte met zijn zwaard tegen
de schoentjes. Eindelijk kon Karen ze weer uittrekken. Ze
rende op bebloede voeten terug naar de oude dame en vroeg
haar om vergeving. Die kreeg ze. En de oude dame gaf haar
ook nog een dikke zoen. Sindsdien leefden ze vredig samen
zolang de oude dame nog te leven had.
|