Jacob Ludwig Karl Grimm (1785-1863)
Wilhelm Karl Grimm (1786-1859)
Beide broers
werden geboren in Hanau en studeerden aan de universiteit
van Marburg. Jacob was voornamelijk een taal- en letterkundige,
die op de universiteit geinteresseerd was geraakt in middeleeuwse
literatuur en wetenschappelijk taalonderzoek. Wilhelm was
meer tekst-inhoudelijk en literatuurkritisch ingesteld. In
1830 gingen de broers naar de universiteit van Göttingen,
waar Wilhelm bibliotheek- medewerker werd en Jacob docent
oude rechten, literatuurgeschiedenis en filosofie. In 1841
kwamen ze op uitnodiging van Frederik Willem IV van Pruissen
naar Berlijn, waar ze hun verdere leven aktief waren als docenten
aan de universiteit.

de gebroeders Grimm
Wilhelm stierf
op 16 december 1859, Jacob op 20 september 1863. Jacob Grimms
grootste wetenschappelijke werk is de Deutsche Grammatik (1819-1837),
algemeen beschouwd de grondslag van de Duitse filologie. De
tweede editie (1822) bevat Grimm's wet van de klankverschuiving,
een hulpmiddel bij het reconstrueren van dode talen. Verdere
werken zijn Über den altdeutschen Meistergesang (1811),
Deutsche Mythologie (1835) en Geschichte der Deutschen Sprache
(1848). Enkele van Wilhelms werken, waaronder uitgaven en
besprekingen van middeleeuwse literatuur en folklore, zijn:
Altdänische Heldenlieder (1811), Die Deutschen Heldensage
(1829), Rolandslied (1838) en Altdeutsche Gespräche (1851).
De gebroeders
Grimm waren geïnteresseerd in oude Duitse volksverhalen,
die ze verzamelden uit vele bronnen en die ze publiceerden
als Kinder- und Hausmärchen (2 delen, 1812-1815). De
verzameling, uitgebreid in 1857, is bekend als Sprookjes van
Grimm. De broers werkten samen aan tal van andere werken.
In 1854 publiceerden ze het eerste deel van het monumentale
Deutsches Wörterbuch, het standaardwoordenboek der Duitse
taal, dat door andere geleerden werd voltooid in 1954.
|